| |
In 1875 kreeg scheepswerf Jonker in Kinderdijk
opdracht om de stevenaak Helena te bouwen. Het schip was speciaal
bedoeld voor de vaart op de Rijn, van Rotterdam tot Straatsburg. In
het register van Rijnvaartpatenten 1863-1875 (stadsarchief Dordrecht)
is te vinden dat schipper Theodorus Tijssen een schippers- en scheepspatent
krijgt voor de ijzeren aak Helena, groot 3962,42 centenaars. Het gaat
hier waarschijnlijk om schipper Theodorus Tijssen, geboren te Millingen
in 1826. Hij was in 1858 getrouwd met de weduwe van Rijnschipper Wilhelm
Fromm. Het scheepstype Stevenaak kwam voort uit de (houten) Dorstense
aak en behoort tot de laatste generatie zeilschepen die de concurrentie
met de stoomvaart moest aangaan. In de jaren als zeilschip was het
varen erg zwaar. Elke brug was een obstakel waarvoor de hoofdmast
moest worden gestreken, om op bezaan en fok, tegen de stroom omhoog
te worstelen. Na vele trouwe jaren dienst als zeilende tweemaster
werd het schip in 1911 verkocht waarna de roef naar achteren werd
verplaatst om meer laadruimte te creëren. Ook werd de hoofdmast
toen verwijderd. De bezaanmast werd als hulptuig naar het hoofdmastdek
verplaatst. De voortstuwing werd vanaf die tijd verzorgd door een
opduwer. Het schip, toen 'Antonius Maria' geheten, bleef als Rijnaak
in de vaart, tot ze in de 50er jaren van achteren werd overvaren.
Het schip zonk, werd gelicht en deed vervolgens nog dienst als sleepschip
voor vletwerk in de havens van Rotterdam. Vanaf 1961 lag ze stil,
omgedoopt tot 'Argus' en in 1979 werd ze uiteindelijk aangeboden voor
de sloop. Het werd echter niet gesloopt en bijna 10 jaar later trof
Bart Vermeer het casco aan en kocht het. In de loop der jaren werd
hem duidelijk dat de restauratie te omvangrijk was om privé
uit te voeren en in 1998 nam Stichting Het Rotterdamse Zeilschip de
'Helena' van hem over. Bart Vermeer werd benoemd tot projectleider
en directeur.
De restauratie van de 'Helena'
Er was nog maar weinig bekend over de specifieke bouwmethoden van
de stevenaak. Er is lang gesproken met oud schippers, er werden
scheepsmodellen en oude foto's bekeken en 'bij toeval' werd een
oude bestektekening gevonden op de werf van Jonker. Besloten werd
om al het ijzerwerk ambachtelijk te klinken, de roef te herbouwen
en in te richten in oude stijl en de oorspronkelijke tuigage in
ere te herstellen, evenals het vrachtruim. Karakteristiek bij een
stevenaak zijn de stevens. De voorsteven was een soort klipperneus,
het achterschip hoog en gewelfd. Het achterdek werd voorzien van
nieuw plaatwerk met het zo kenmerkende ruitmotief en ook de voorsteven
werd deels gesloopt en gerestaureerd. Nu had het schip weer zijn
kenmerkende uiterlijk terug. Verspreid over het hele schip moesten
flink wat huidplaten worden vervangen. Hierna werd ook met de technische
afbouw, de bouw van de roef en van de tuigage begonnen. De tuigage
was deels uit de oude gevonden tekening terug te halen. Voor het
zeil koos men voor het zware 'clippercanvas', een ruw doek met het
uiterlijk van ouderwets katoen. De verstaging werd met zogenaamde
'talrepen' aan dek verbonden. De modernere techniek is zoveel mogelijk
uit zicht weggewerkt, maar voor het varen met gasten moesten er
wel de nodige voorzieningen komen. Besloten werd om in het ruim
een losse unit te plaatsen met daarin de kombuis en de toiletten.
Deze unit kan als geheel uit het schip gehesen worden. Ook de bar
en alle meubilair zijn uit losse elementen gebouwd. In het ruim
bleven daardoor alle klinkconstructies prachtig in zicht, evenals
de houten luikenkap en de houten buikdenning.
Het jarenlang durende restauratieproces is nauwgezet gevolgd door
deskundigen uit de behoudswereld, het Rotterdamse Maritiem Museum
Prins Hendrik en het Scheepvaartmuseum Amsterdam. Sinds 2003 is
de Helena weer in de vaart. In een culturele waardebepaling voor
het ministerie van OC en W werd het schip erkend als monument van
zeer grote waarde. |